Investeringshausse in Nederlandse hernieuwbare energie verwacht

Nederland dreigt momenteel zijn doelstelling inzake hernieuwbare energie voor 2020 niet te halen. Daarom kan de sector de komende jaren een investeringshausse tegemoet zien, zo stelt een nieuw rapport van de Rabobank.
De omvang van het tekort zal waarschijnlijk volgend jaar zichtbaar worden. Dit leidt tot een nieuwe golf van investeringsmogelijkheden in zon-PV, offshore en onshore windenergie en het bij- en meestoken van biomassa. Naast de voorspelde € 12 miljard binnen het ‘business-as-usual’-scenario zal er nog eens € 24 miljard extra uitgegeven moeten worden, aldus Clara van der Elst, analist bij de Rabobank.
“Het merendeel van de aanvullende investeringen, circa € 13 miljard, gaat naar zon-PV. Voor offshore windenergie is € 7 miljard aan investeringen nodig, en voor onshore windenergie en het bij- en meestoken van biomassa ieder nog eens € 2 miljard”, voegt Van der Elst toe. “Op basis van haar berekeningen verwacht de Rabobank dat, als het huidige investeringsniveau gehandhaafd blijft, hernieuwbare energie in 2020 slechts voor 9 procent bijdraagt aan de totale energieproductie, terwijl de doelstelling 14 procent is.” In 2011 was het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de totale energie-opwekking slechts 4 procent, veel lager dan de meeste andere EU-landen.
“Voor ons geldt 2014 als een potentieel omslagpunt voor hernieuwbare energievormen in Nederland. Dan zal namelijk het gat tussen de beoogde en daadwerkelijk gerealiseerde vooruitgang duidelijk zichtbaar zijn geworden. Een golf van investeringsmogelijkheden zal zich aandienen dankzij de combinatie van politieke veranderingen en lagere kosten”, stelt Van der Elst.
On- en offshore windenergie en zonne-energie lijken de voornaamste kandidaten om straks te profiteren van deze investeringsgolf. Om de doelstelling te halen is echter ook meer biomassa nodig, hoewel dit op de langere termijn wel eens minder wenselijk kan blijken. “Wij verwachten dat de regering rond 2013-14 haar beleid inzake hernieuwbare energie zal herzien, doordat de EU meer druk zal uitoefenen namelijk op lidstaten die achterlopen op hun doelstelling ten aanzien van hernieuwbare energie. Daarnaast verwachten wij een toenemende publieke steun voor hernieuwbare energie en nemen de kosten voor de benodigde technologiëen, vooral voor wind en zonnenergie, af dankzij opschaling en technische innovatie”, zegt Van der Elst.
Het zal voor Nederland lastig worden om zijn doelstelling inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Daar zijn verschillende redenen voor aan te wijzen. Ten eerste strookt SDE(+) – de belangrijkste stimuleringsmaatregel voor duurzame energie – niet met de investeringen uit het oorspronkelijke plan. Dat plan is vastgelegd in het bij de EU ingediende Nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen (NREAP). Ook leunt SDE(+) te sterk op productietechnologieën op basis van biomassa. Tenslotte zijn de aannames ten aanzien van de onderliggende energievraag en de mogelijke winst uit energiebezuinigingen te optimistisch
Het NREAP beoogt dat ongeveer de helft van de doelstelling behaald wordt door windenergie (vooral offshore) en de andere helft door energie uit biomassa. Maar, zegt Van der Elst: “het is nu in 2012 al zonneklaar dat dit scenario geen werkelijkheid meer gaat worden.”
Het grootste probleem is dat er nog nauwelijks iets van het SDE(+)-budget is uitgegeven omdat het programma investeerders niet de juiste prikkel biedt. In totaal is er voor slechts € 80 miljoen aan subsidies voor opwekking van hernieuwbare energie uit de SDE (+) regelingen van 2008 tot en met 2011 verstrekt. Dit terwijl het totale cumulatieve budget – in te zetten voor de gehele levensduur van de gehonoreerde projecten – over deze periode maar liefst € 9 miljard bedraagt.
Biomassa, inclusief biogas, eiste het leeuwendeel van de beschikbare gelden op (bijna 80 procent in 2011), maar van winstgevendheid zal bij een substantieel aantal geen sprake zijn. Dit is deels het gevolg van de gestegen prijzen van hoog energetische biogrondstoffen. Financiering wordt daarmee moeilijk, waardoor een duidelijke discrepantie is ontstaan tussen de beoogde en de gerealiseerde capaciteit van hernieuwbare energiebronnen.
Met circa 1,25 GW van 2008 tot 2010 is onshore wind de grote veroorzaker van het gat tussen de begrote en voltooide hernieuwbare-energieprojecten. Het voornaamste probleem is de zogenaamde ‘Not In My BackYard’-weerstand (NIMBY) die onvermijdelijk is in een land zo dichtbevolkt als Nederland. Daarnaast kunnen ontwikkelaars alleen SDE+-subsidie aanvragen wanneer ze in het bezit zijn van een dure bouwvergunning.
Tenslotte is de beperking van het aantal gesubsidieerde vollasturen tot 2.200 ook contraproductief geweest, hoewel de SDE+ 2012 hierin tegemoet komt. Offshore wind is feitelijk aan de kant geschoven vanwege de hoge kosten die het met zich meebrengt, hoewel deze op de langere termijn waarschijnlijk zullen dalen voor nieuwe projecten. Ook de toepassing van zon-PV is afgeremd door de kosten. Desalniettemin is deze techniek de laatste jaren aanzienlijk goedkoper geworden, waardoor de installatiecijfers tussen nu en 2020 naar verwachting omhoog zullen schieten zonder dat daar SDE- subsidie voor nodig is.
Verschillende factoren staan dit scenario van versnelde investering in de weg, waaronder de bredere macro-economische situatie, de impact van de Basel III-bankregels op het investeringsniveau en problemen bij de aansluiting op het elektriciteitsnet. Desalniettemin stelt Van der Elst: “Hoewel de situatie problematisch is, heeft Nederland nog altijd een kans om in 2020 dichtbij de doelstelling inzake hernieuwbare energie te eindigen.”